Column: Kometen en besmettingscijfers

Door | 11 juli 2021

COLUMN – Kometen en vallende sterren veroorzaakten in het Nederland van de 17e eeuw altijd enige opschudding en waren voor dominees een prachtige aanleiding tot een afkeurend hoofdschudden handenwringen. Toen in 1664 Amsterdam opnieuw werd getroffen door de pest en hierdoor de handel stagneerde, werd een vallende ster dan ook gretig aangegrepen als een teken van Gods ongenoegen met de bevolking. De crisis hadden ze over zichzelf afgeroepen. Toen ook nog de linden langs de grachten na een hevige sneeuwstorm plotseling afstierven leidde dit tot preken over boetedoening en berouw.

In de jaren 1577, 1651 en 1661 waren er ook kometen gesignaleerd op vergelijkbaar kritieke momenten, die eenzelfde verontrusting teweeg brachten bij een volk dat aldoor al worstelde met het evenwicht tussen de calvinistische soberheid en de grote welvaart die de handel in deze periode bracht. Buitenlanders die een bezoek brachten aan het nieuwe land verbaasden zich over de overdadig beladen Nederlandse tafels. Op karikaturen werden ze door tijdgenoten in Europa bijna altijd weergegeven als zwelgers en zuipers, even indrukwekkend in de breedte als in de lengte. Door het ontwikkelen en voorschrijven van zeden probeerden de hoeders van het volk, magistraten en dominees, de heidense vraatzucht te beteugelen en zag de calvinistische geestelijkheid haar droom van een boetvaardige en gehoorzame kudde verwezenlijkt.

Een crisis, die door het volk vaker niet dan wel wordt opgemerkt, hing altijd wel in de lucht. Was het niet een oorlog met het concurrerende Engeland dan was het wel een slecht onderhouden dijk waardoor het gevaar van het wassende water weer eminent werd. De Verenigde Oost-Indische Compagnie kon natuurlijk alleen maar uitgroeien tot de grootste zeemacht van die tijd door strikte discipline en als het moreel leek te verslappen werden er voor de hele Republiek zogeheten ‘bededagen’ voorgeschreven, dagen van gebed en vasten. Hele gemeenten werden tot sobere vroomheid opgeroepen, zowel in kerken als op openbare pleinen waar bijeenkomsten van gebed en zang werden gehouden. Zo werd het volk weer gelouterd en in het gareel getrokken. Door zo een natie op te bouwen, met een enthousiasmerend gebruik van zingevende religie en beschavende educatie (Hooft, Vondel), kon Nederland zich in die tijd opwerken tot een imperium dat anderhalve eeuw de toenmalige Westerse wereld domineerde. De rijken werden stinkend rijk en het volk profiteerde mee. Nederland was een natie om trots op te zijn.

Het bijgeloof in ongerelateerde fenomenen zoals kometen en vallende sterren, waar een profetische waarde aan werd toegekend, werd handig gebruikt om het volk in de juiste richting te sturen.

Besmettingscijfers en computermodellen veroorzaakten in het Nederland van de 21e eeuw altijd enige opschudding en waren voor politici een prachtige aanleiding tot een afkeurend hoofdschudden en handenwringen. Toen in maart 2020 de wereld opnieuw werd getroffen door een beurskrach die  ook de economie in gevaar bracht, werden de als besmettingscijfers aangeduide positieve testen dan ook gretig als afleiding aangegrepen om het volk rustig te houden. Ze hadden een pandemie over zichzelf afgeroepen door hun onvoorzichtige reislust. Hoe erg het wel niet was werd aangetoond door het feit dat de ziekenhuizen het niet meer aan konden (men kon natuurlijk niet vertellen dat, net zo goed als de beurskrach, ook dit door eigen beleid was ontstaan) en dit leidde tot maatregelen, restricties en sancties.

In de jaren 1987 (beurskrach), 2003 (pandemie) en 2008 (wéér een beurskrach, zucht) waren er weliswaar geen kometen die het volk verontrustten, maar werden verpakt als bijvoorbeeld de huizenbubbel, die eenzelfde onrust teweeg bracht bij een volk dat toch al worstelde met het evenwicht tussen de restrictieve wetgeving, cao’s en dergelijke, en de grote welvaart die de economie in deze periode bracht. Buitenlanders die een bezoek brachten aan dit beloofde land verbaasden zich over de hang naar materiele welvaart. Op karikaturen werden ze door tijdgenoten in andere werelddelen bijna altijd weergegeven als de decadente, gierige ‘Dutch people’, even vet gegeten als dat ze lang waren. Door het ontwikkelen en voorschrijven van een nieuw normaal probeerden de bestuurders, politici, medische CEO’s en miljardairs, het exces van de welvaart te beteugelen en zagen ze hun droom van een gedisciplineerde en gehoorzame kudde verwezenlijkt.

Een crisis, die door het volk vaker niet dan wel wordt opgemerkt, hing altijd wel in de lucht. Was het niet een oorlog met Rusland dan was het wel het probleem met de energievoorziening. Het kapitalisme kon natuurlijk alleen maar verder groeien en de dominante macht in de wereld blijven door strikte discipline en als dit in gevaar dreigde te raken werden er zogeheten ‘lockdowns’ voorgeschreven, dagen van sociale onthouding en minder consumptie. Het hele land werd tot deze soberheid opgeroepen en zowel de kerken als de openbare ruimten bleven leeg. Zo werd het volk ontdaan van prikkels en in het gareel van een nieuw normaal getrokken. Door zo een natie af te breken, met gebruikmaking van holle retoriek (H. de Jonge) gebaseerd op semi-wetenschap (het foutieve gebruik van de PCR test) en culturele degeneratie (Lubach), kon Nederland in die tijd zich invoegen in de Nieuwe Wereldorde dat de machthebbers zich gefantaseerd hadden als de hernieuwing van het failliete kapitalisme. De rijken werden stinkend rijk, waarbij het volk alles werd afgenomen onder motto’s als ‘6uild 6ack 6etter’. Ja precies, maar terugbouwen voor wie? Want het ging natuurlijk nooit om Nederland als natie.

Het bijgeloof in ongerelateerde fenomenen zoals besmettingscijfers, waar een profetische waarde aan werd toegekend, werd handig gebruikt om het volk in de juiste richting te sturen.

Over de auteur

Hielke de Boer heeft meer dan dertig jaar in de financiële sector gewerkt bij zowel internationaal opererende bedrijven als kleine sociaal-culturele instellingen. Zijn columns betrekken de maatschappelijke ontwikkelingen in een context van geopolitiek, culturele verschijnselen en historische achtergronden.