Column: Van Tavenier tot Olle Grieze en weer terug

Door | 31 juli 2022

COLUMN – Op de Ubbo Emmiussingel aangekomen zette ik mijn auto pal voor het pand van Molendrift, dat is iets met geestelijke gezondheidszorg geloof ik, maar heel vroeger was daar een kraamkliniek gevestigd: Huize Tavenier.

Het is het geboortehuis van zo’n 27.000 mensen uit Groningen en Drenthe, waaronder ikzelf, en ik vind het altijd weer een aparte ervaring om te beseffen dat het daar dus allemaal begon terwijl ik er geen herinnering aan heb. Moeder wist het nog heel helder voor de geest te halen want ik wou niet komen, dus de geplande bevalling thuis moest inderhaast verplaatst worden naar dit monumentale pand aan de singels. Waarschijnlijk had ik er echt geen zin in want ze hebben mij er uiteindelijk met een tang uit getrokken, met als gevolg dat ik de eerste uren in dit aardse bestaan met een punthoofd begon. Vader dacht nog dat er iets vreselijk mis was, het leven van een beginnende ouder zit tjokvol kleine angsten, maar geef hem eens ongelijk: ‘tangverlossing’ is nou niet direct een woord waarbij je aan een blijde geboorte denkt. Mijn eerste stap in dit leven begon dus met een ingreep van buitenaf waar ikzelf blijkbaar niet achter stond. Dat is echt voer voor psychologen want er zijn er die een weerstand tegen de autoriteiten weten terug te voeren op die allereerste levenservaring. Ik weet niet of dat knap te noemen is, want ik heb de laatste zestig jaar toch het één en ander aan inzichten opgedaan, dus ik durf te stellen dat die tang geen noemenswaardige invloed meer heeft op hoe ik tegen dingen aankijk.

Toen ik uitstapte reed er net zo’n mal autootje van de parkeercontrole langs, u weet wel, die hebben heel herkenbaar een rare toeter op het dak. Het was 23.10 uur en ik dacht nog ‘nou, die kunnen zo ook naar huis want om 0.00 uur begint het vrij parkeren’. Je hoeft tegenwoordig geen ticket meer achter de voorruit te plakken, maar voor de zekerheid liet ik de automaat toch maar even een printje maken want tja, toen ze langsreden had ik natuurlijk nog niet bij de automaat kunnen betalen. Je weet dat ze een marge aanhouden, maar ik heb in een dergelijk geval tóch weleens een douw gekregen. Dat men het principe van redelijkheid en billijkheid de laatste paar jaren heeft laten varen heb ik al verschillende malen mogen meemaken, dus je wordt vanzelf wel wat alerter op die dienders.

Mijn kooikerhondje Kottke kreeg om de vijf meter een geur in de neus, dus ik ben vervolgens al zigzaggend op het Zuiderdiep terecht gekomen en heb daar op het terras van café de Witte Wolf een biertje genuttigd. Er komen daar leuke mensen zonder poeha en studenten zie je er gelukkig niet, dus ondanks dat heavy metal bij mij thuis niet gedraaid wordt heb ik daar even een genoeglijk momentje gehad. Een kort moment, want echt drinken doe ik al jaren niet meer, dus na die ene nam ik afscheid en begon terug te lopen. Dat ging met een omweg via de Nieuwstad, daar heb ik lang geleden eens een tijdje gewoond boven café d’ Olle Grieze dat nu gesloten is vanwege die schietpartij onlangs. Een mens heeft weleens de neiging om de plekken van vroeger af en toe op te zoeken. Je had daar een goed uitzicht over de hele straat dus ik ken het vrij goed en het aardige van dit stukje stad is dat er in veertig jaar tijd eigenlijk niks veranderd is. Er is wel enige woningverbetering gepleegd en de wapenwinkel is er allang niet meer, maar het aanzien van de gevels met de rode lampjes is nog steeds hetzelfde. De zware jongens die zich in groepjes van drie á vier bij de straathoek ophouden leveren ook geen nieuw beeld op. Ze zijn wat donkerder van tint, maar in het voorbijgaan wordt je net als toen met dezelfde argwanende blik gemonsterd of je misschien niet een stille bent. Eén meisje wenkte mij nog vanachter het raam, maar toen ze het hondje zag lachte ze de uitnodiging direct weer weg: duidelijk geen klant.

Mijn vader was woninginrichter en die heeft bij zo’n meisje ooit nog eens het tapijtje mogen leggen. Als strenggelovige had hij eigenlijk zware bedenkingen tegen haar vak, maar als goed ingevoerde calvinist wist hij dit dilemma toch in zijn voordeel op te lossen. De deal met haar was simpel: “Als ik werk dan werk jij niet”. Zo gezegd, zo gedaan, en in mijn verbeelding zie ik hem nog weleens daar in dat ‘oord des verderfs’ op zijn knieën het tapijt vastspijkeren terwijl die ‘gevallen vrouw’ met een sigaretje in haar mond tegen hem aan zat te kletsen. Want gezellig konden de meesten wel zijn, dat heb ik later wel gemerkt toen ik daar woonde en af en toe samen met hun een pintje pakte aan de bar.

Terug op de Coehoornsingel om 23.50 uur, tien minuten voordat het gratis parkeren werd, zag ik dat het malle autootje van de parkeercontrole alwéér zijn rondje deed. Ik zette het gauw van me af, maar het schoot door me heen hoe flauw het eigenlijk is om op zo’n allerlaatste moment snel nog even de kans te pakken om wat boetes uit te delen. Ook de politie werkt tegenwoordig met een verdienmodel, maar het is duidelijk geldklopperij geworden als ze zo vlak voor het verlopen van het betaald parkeren langsrijden terwijl ze nog geen drie kwartier ervoor ook al waren geweest. Dat kun je echt geen ordehandhaving meer noemen. Je vraagt je af of mensen nog wel op een andere manier tegen dingen kunnen aankijken, ik las gister ergens dat de toename van bepaalde kikker- en slangensoorten de maatschappij zus en zoveel miljard Euro kost.

Zo langzamerhand wordt alles in geld en efficiency uitgedrukt, is hebberigheid een deugd geworden en worden andere waarden onzichtbaar gemaakt. Die agent van de parkeercontrole kun je ook niet meer aanspreken om het eens te hebben over redelijkheid en billijkheid, daarvoor rijden ze veel te snel langs in dat malle autootje. Als ze nog tenminste  weten wat die termen inhouden, afgelopen week ging er een filmpje rond van een agent die een blaffende, maar verder ongevaarlijke hond zonder aanleiding tegen de grond aan taserde. Je moet zulke wapens vooral in de handen stoppen van jonge jongens bij wie het hormoongehalte nog niet in evenwicht is met de ratio, denk ik dan. In de Nieuwstad en op het terras van de Zwarte Wolf is alles bij het oude gebleven, want het vak van de dames kun je niet digitaliseren en een biertje drink je niet virtueel, maar daarbuiten verandert vooral de wereld van officiële instanties in rap tempo in iets dat steeds minder aanspreekbaar wordt.

Over de auteur

Hielke de Boer heeft meer dan dertig jaar in de financiële sector gewerkt bij zowel internationaal opererende bedrijven als kleine sociaal-culturele instellingen. Zijn columns betrekken de maatschappelijke ontwikkelingen in een context van geopolitiek, culturele verschijnselen en historische achtergronden.