Column: IJspret

Column: IJspret

COLUMN – Bijna hadden de dickpics het Olympisch schaatsen verdrongen, maar gelukkig kwam het nog ‘Dick’ voor mekaar.

Mick en Mark, zeg maar onze virtuele potloodventers, waren snel vergeten nadat ze zichzelf voor lul hadden gezet. Het ging dus als vanouds weer over rondetijden, baanrecords en vooral over ijsomstandigheden. Want de Zweedse krabbelaar Niels van der Poel betichtte de KNSB van gruweldaden. Ik herhaal, gruweldaden. Team NL schaatst nu eenmaal lekkerder op hard ijs. Dus moet het in de schaatsarena ijskoud zijn. Dat was tegen het zere schaatsbeen van onze Niels. De oranje-brigade zou in het voordeel zijn. Alsof ze in Zweden op warm ijs rijden. Zelf hou ik het liefst van softijs maar das een ander verhaal.

Om eerlijk te zijn gaan die Olympische Winter-spelen sowieso boven m’n pet. Je mag wel aan de universiteit hebben gestudeerd, wil je alles begrijpen. Neem het snowboarden. Daar heeft een of andere wijsneus ooit wat leuks voor bedacht. Lees even mee; 360 spin, Ollie, Nollie, Frontflip, Backflip, Rodeo 540 en Slide. Mijn hemel. Rodeo 540. Je zou denken dat je paard op een snowboard stond. Dan het kunstschaatsen; Axel, Salchow, Spot, Flip en Lutz. De Spot wordt ook wel Cherryflip genoemd. En ik maar denken dat het een toetje was. Oh ja, vergeet ik bijna de dubbele Rietberger. Genoemd naar vieze Jeroen. Wordt er gewoon een kunstschaats-sprong naar je vernoemd als je zelf een scheve schaats hebt gereden.

Özcan Akyol heeft gelijk. Schaatsen is folklore. Gezellig wat rondjes rijden op de muziek van een hoempa hoempa orkest. Typisch Nederlands. De rest van de wereld lacht ons uit. En na elke rit wordt alles serieus besproken door NOS-robot Henry Schut en Marianne Timmertje Timmertje met in hun midden het guitige pruikje van Rintje. Dan gaat het vooral over goud, goud en nog eens goud. Zilver gewonnen is goud verloren. Het is allemaal te zielig voor woorden. Geef mij dan maar brons. ‘Blozende Bronzen Bos’. En dat op een plank met 130 km van een helling af met je hoofd naar beneden. Ziehier de zelfmoordneigingen van een brokkenpiloot.

Mijn schaatscarrière begon in de Amsterdamse Joh. Verhulststraat drie hoog. Op de zwart-wit tv keken m’n ouders naar Ard Schenk en Kees Verkerk. Ik schaatste met ze mee van mijn kamertje over de gang via de keuken naar de woonkamer. Ik werd de eerste schaatskampioen op geitenwollen-sokken. Iedere profcarrière kent tegenslagen. Toen ik m’n eerste ijshockeyschaatsen aantrok, stonden m’n benen en enkels in een vreemde hoek. Alsof ik een ei moest leggen. Ik voelde me hopeloos. Je schaatst niet. Je loopt alsof je wilt vluchten, maar je komt niet vooruit.

M’n oma had een kapsalon en het bleek een gouden greep om mij achter een kappersstoel op te leiden tot prof-schaatser. De volgende dag stond ik trots achter de stoel op het ijs. Ik maakte een paar slagen maar er bleken wieltjes onder de stoel te zitten en de stoel ging z’n eigen weg. Uren reed de stoel met mij erachter over het ijs. Ik moest thuis met m’n kin aanbellen, want m’n handen zaten nog om de rugleuning. Maar op een gegeven moment moet je accepteren dat je schaatscarrière voorbij is. Ik was inmiddels in de vijftig en toe aan m’n zevende stoel. Ik stop dus definitief na Peking. Rij samen met Sven Kramer een ereronde. Op geitenwollen-sokken achter een kappersstoel.

Over de auteur

Deze column is geschreven door Ronny Lammers. Ronny schrijft elke zondag een spraakmakende column waarbij hij geen blad voor de mond neemt. Ronny is eigenaar/coach van ITP Institute Tennis Promotion en traint met zijn team alle niveau’s in het noorden van Nederland.

Foto: Ronny Lammers