GRONINGEN – Tachtig jaar geleden typte Willem Gerardus van der Helm een uitgebreid ooggetuigenverslag van de laatste oorlogsdagen in Groningen. Tegen de achtergrond van de belaagde Stad heeft hij gevaarlijke en ook grappige momenten beschreven die met hij met zijn vrouw en zes kinderen doormaakte. Zijn twee overgebleven kinderen, Hinderika (Riek) en Mineke (Mieke) hebben het document geschonken aan het Oorlogs- en Verzetscentrum Groningen. Riek van der Helm (86): “Ik vind het een mooie gedachte dat de belevenissen van ons gezin, waar ik me ook nog veel van herinner, bewaard blijven voor toekomstige generaties.”
Het verslag begint op 13 april 1945 en eindigt op 16 april van dat jaar. Van der Helm typte de elf kantjes op een Olivetti typemachine, met een aantal doorslagen ‘voor familie, vrienden en kennissen’. Hij deed dat kort na de bevrijding, in zijn zaak, een handel in scheepsbenodigheden, vlakbij huis. Papier was schaars aan het eind van de oorlog. Daarom zijn de A4-tjes helemaal vol getypt, met smalle marges en korte regelafstanden. De tekst is niet overal even gemakkelijk leesbaar. Het verhaal leest daarentegen als een spannend jongensboek.
Willem Gerardus van der Helm en zijn vrouw Hinderika van der Helm-Prijt waren in april 1945 allebei 45 jaar oud. Met hun kinderen (de jongste was anderhalf, de oudste bijna veertien) leefden ze in een bovenwoning aan de Zuiderkuipen, met uitzicht op het Zuiderdiep. Middenin de vuurlinie. Het huis werd tijdens de slag om Groningen meerdere malen beschoten, maar staat er nog steeds.
Tijdens de laatste oorlogsdagen zijn in Groningen veel mensen gesneuveld. Het gezin Van der Helm heeft het geluk gehad de bevrijding ongeschonden te hebben doorstaan. Dat blijkt ook uit onderstaande, ingekorte passage uit het verslag van 15 april 1945.
Als de Canadese bevrijders de Zuiderkuipen hebben bereikt, wil Van der Helm als eerste in de straat de vlag uithangen. Ondanks waarschuwingen uit zijn omgeving dat er mogelijk nog Duitsers in de buurt zitten.
,,Ik was gevaarlijk overmoedig, en de terugslag is dan ook een harde duw voor me geweest. Er werd met een pantserbuks op ons huis geschoten. Het eerste schot hieuw een stuk van onze gevelversiering af, en dat stuk steen van een kilo of 6 viel met een geweldige klap op ons balkon, wat door iedereen werd gehoord. De tweede kogel vloog door ons slaapkamerraam en versplinterde de marmeren plaat en spiegel van de wastafel. De slaapkamerwand was versplinterd, alsof iemand er met een beitel en voorhamer doorheen had geslagen.
Wat een gegil, ‘die vlag binnen!’ De ene helft riep ‘niet doen vader, ze schieten u dood’, de andere helft ‘wel doen, want ze schieten ons allemaal dood’. Ik stapte op het balkon en haalde de vlag over de balkonrand. Daarna heb ik op m’n rug liggend de bandjes losgemaakt. Ik was blij toen ik met de vlag heelhuids in de kamer stond. Rika zei: ‘Zo en nu berg ik hem op, totdat de vlag op de toren [van de A kerk] komt’; ik heb haar met geen woord tegengesproken.”
Foto: E.L. Rademaker (ingezonden)



