Column: 9/11

Column: 9/11

COLUMN – In 2001 kreeg ik voor het eerst Duits, de lessen vonden plaats in een benauwd noodlokaal.

De leraar was een kalme, ietwat kleurloze man, hij droeg brillen met dik montuur. We begonnen bij de basis. Mijn schoolvriend mocht zich in het Duits voorstellen, en zei “Ich bin Laden”, ik probeerde – tevergeefs – niet te lachen. Galgenhumor. Het zal eind september, begin oktober zijn geweest. De aanslagen van 9/11 beheersten het nieuws, de stofwolken waren amper opgetrokken. Ik was veertien, zat op de middelbare school en op MSN. In de zee aan vrije tijd, vergeleken met nu, luisterde ik Radio 538 en draaide ik cd’s. Het eten stond altijd klaar, een onvoorstelbare luxe.

Andere “foute” grappen uit die weken: Bin Laden is gezakt voor de typecursus, hij haalde slechts vijf aanslagen per minuut. Bush en Bin Laden spelen schaak, ineens zegt Bin Laden “hier heb je mijn paarden, mag ik nu jouw torens?”. En een afbeelding van Nijntje die op een gebouw afvliegt met daaronder de tekst “nijn-eleven”.

Die dinsdag was ik net thuis, toen de telefoon ging. De vaste lijn. Mijn moeder belde vanaf haar werk, er was groot nieuws. Hup, tv aan. Eindeloze herhalingen, improviserende nieuwslezers. Ik zag een vliegtuig, het kwam van rechts en verdween achter een gebouw. Een verschrikkelijke verdwijntruc. Zeker twee seconden gebeurde er niets, daarna de verwachtte vuurbal. Onduidelijkheid. Waar keken we naar? Een aanval op de Verenigde Staten, was dat niet gewoon een aanval op de wereld? Stond WO III voor de deur? De Amerikaanse president reageerde instinctief, tot tien tellen was te veel gevraagd. We will smoke them out of their holes. Geen loos dreigement, Bush opende de doos van Pandora, Tony Blair in zijn kielzog.

Augustus 2005. Samen met mijn vader verbleef ik een midweek in New York. We deden de dingen die je doet als je een week in New York bent: pannenkoeken eten in de ochtend, fietsen door Central Park, je verbazen over het aantal gele taxi’s. Een kleine koffie bestellen en een halve liter krijgen. New York greep me als nuchtere Hollander bij de strot, mijn vooroordelen, gevormd door verhaal en film, werden bevestigd. In New York voelde je je klein door grootsheid. The city that never sleeps – daar bleek niets aan gelogen, je kon om drie uur ’s nachts door bakken cd’s struinen, de supermarkt kende geen openingstijden, hij was gewoon nooit gesloten. De flitsende billboards op Times Square waren in het echt net zo flitsend.

Bijna vier jaar na de aanslagen stonden we bij Ground Zero, de plek had nog het meeste weg van een verlaten bouwput. Een gapend gat. Zand, hekken, loopplanken, geparkeerde werkmachines, slingerende materialen. Ooit was het er druk geweest, getuige de afbeeldingen die er hingen en herinnerden aan wat er zich had afgespeeld. Foto’s van huilende brandweermannen, van smeulende resten. Overeind gebleven WTC-pijlers, als losstaande geraamtes tussen het puin. Bush in overall, met megafoon, indringend kijkend. The people who knocked these buildings down will hear all of us soon. De woorden weerkaatsten vier jaar na dato nog tussen de andere wolkenkrabbers. Amerika verkeerde in een chronische staat van alertheid, overal was politie, vaak zichtbaar zwaarbewapend. Mijn vader kreeg tijdens een bezoek aan de Empire State Building vragen over zijn asbak ter grootte van een kaasblokje, op JFK moesten de schoenen uit toen het poortje na drie passages bleef piepen.

September 2021. In het NOS Journaal gaat het over Afghanistan, de beelden zijn hartverscheurend, de conclusie die je moet trekken is een wrede: de doos van Pandora is zojuist heropend. We zijn weer terug in 2001.

Over de auteur

Deze column is geschreven door Derek Hogeweg. Derek is programmamaker bij OOG Radio en fanatiek wielrenner. Zijn columns gaan over uiteenlopende onderwerpen. In alle gevallen betreft het de mening van een lange man.

Foto: Derek Hogeweg