De familiedag in Orvelte eindigde bij het pannenkoekenhuis.
Orvelte, een autovrij museumdorp waar je na drie kwartier alles wel gezien hebt.
Ik had me nooit gerealiseerd dat er ook mensen in Orvelte wonen, totdat ik een chagrijnige vrouw met een boodschappentas in de richting van een voordeur zag lopen. Geen verrassende gezichtsuitdrukking, ik snap dat je niet blij wordt van al die toeristen in je achtertuin. Wie gaat er nou voor z’n lol in een etalage zitten?
We kregen uitleg van een imker, hij vertelde dat hij door de jaren heen ‘helemaal lek was gestoken’ maar dat hij ook had ontdekt dat bijen onder bepaalde omstandigheden niet steken. Nee, dan hoornaars, daar konden we maar beter helemaal uit de buurt blijven. Een oom van mijn vriendin vertelde dat er ooit hoornaars in zijn broek waren gevlogen. “Hopelijk kwamen ze niet te hoog”, grinnikte de imker.
De volgende halte was een pannenkoekenboerderij, met de naam “Professor Pannenkoek”. De professor was er ook; een man met een bril, een schort en een koekenpan. Op een bord lagen stukjes pannenkoek. Ik pakte een reepje, stopte het in mijn mond en probeerde intussen niet aan bacteriën te denken. Ik proefde banaan. “Dit is een pannenkoek met banaan”, zei de professor toen ik het geheel net had doorgeslikt. De volgende pannenkoek was intussen in de maak. Wederom met banaan. Toen de professor een diepgaande conversatie over pannenkoeken wilde starten hield ik het voor gezien. Ik liep langs een stellage vol gele pakken pannenkoekenmix en dacht toen pas aan het verdienmodel. Of is pannenkoeken bakken tegenwoordig ook al een roeping? Het blijft toch altijd iets goedkoops houden, zo’n pannenkoek. Ongeacht wat je er verder overheen flikkert.
Uitgeslenterd namen we plaats op het terras van het enige restaurant in Orvelte, waar de bierkaart uitgebreider was dan de menukaart. Voor wat betreft pannenkoeken waren er drie opties: spek, kaas, of smarties. Ik zocht nog enige tijd naar variaties die er niet waren, en besloot toen voor spek te gaan.
We werden bediend door twee serveersters. Een oude en een jonge. We hoefde niet lang te wachten, het fornuis stond op standje turbo, de oude serveerster kwam al vrij snel de eerste borden brengen. “Ik heb hier een kaas”. Geen reactie. “Jij had toch spek?”, vroeg een tante aan een oom. Hij had inderdaad spek. Geen kaas. De serveerster verdween weer richting keuken, en kwam even later terug met spek. Haa, Team Spek! Laat maar landen die bende. Ik schoof wat glazen aan de kant om plaats te maken. Mijn pannenkoek zag er op het eerste gezicht prima uit, maar dat bleek slechts de helft van het verhaal. De eerste hap was knapperig. Toen ik de rand van de pannenkoek voorzichtig optilde om de onderkant te inspecteren begreep ik waarom. Zwart. Pikzwart. Zo zwart als… nou ja, laat ook maar. Meteen voelde ik de Gordon Ramsay in mij wakker worden. What the fuck do you think this is? Some kind of pet food?! En dan dat bord heel hard op de grond gooien. Rinkeldekinkel. Gelukkig zag de oude serveerster ook in dat deze pannenkoek iets te lang in de pan had gelegen, ik kreeg direct een nieuwe. Pannenkoekenoorlog afgewend.
Iets zegt me dat die keurige professor, pannenkoekenbakker op Champions League-niveau, dit soort fouten niet maakt.
Foto: ClickerHappy (Pexels)



