Opinie

Column: Adieu Ardennen

De Belgische Ardennen, daar kom ik voorlopig niet meer.

Nou, misschien kom ik nog wel eens in de Ardennen, maar niet meer in het vakantiehuisje van mijn ouders. Specifieker: het huisje van mijn moeder en haar man, dat ze twintig jaar geleden kochten als ontspanningsoord. Op een goede anderhalf uur rijden van Eindhoven. Oké, oké, het is in Comblain-la-Tour. Dat kan ik nu wel zeggen. Vijf jaar geleden zou ik waarschijnlijk gekozen hebben voor Hamoir (hoofdgemeente), of “niet ver onder Luik”.
Ze hebben het huisje verkocht. Het Ardennen-hoofdstuk wordt binnenkort afgesloten en ik zou liegen als ik zei dat het me niets doet. Toen ik nog in Brabant woonde ging ik er regelmatig heen. Vanuit Groningen is het allemaal wat lastiger, maar toch, bijna ieder jaar ben ik er wel een keer geweest. Het blijft een fascinerende plek.

Grappig, want toen ze het huisje in 2006 kochten had ik er aanvankelijk niets mee. Ik kende de omgeving niet. Behalve Luik, ja, dat kende ik van de vakanties. Van de omleidingen, het oponthoud. Een grauwe, smoezelige stinkstad, die je maar beter zo snel mogelijk achter je kon laten. Veel mensen hebben dit beeld van Luik.
Hoe anders is het nu, twintig jaar later. Het contrast kan bijna niet groter zijn. Luik (Liège!) kan bij mij niet meer stuk. Met zijn sierlijke bruggen, sfeervolle pleinen en steile trappen.
De kentering stamt uit 2008. Ik kocht mijn eerste racefiets in een Eindhovense zaak aan de Limburglaan. Ik keek in die tijd vaak naar wielerwedstrijden, waaronder Luik-Bastenaken-Luik, en ontdekte dat deze koers zich afspeelde in de omgeving van het huisje. Allerlei bekende beklimmingen lagen daar in de buurt, waaronder La Redoute in Remouchamps. De Ardennen werden zo mijn wielerwalhalla. Ik heb daar in een paar jaar tijd ontzettend veel gefietst. Zoveel dat ik de omgeving heel erg goed leerde kennen. Ik kwam in de gekste spookdorpjes, kende de meest bijzondere doorsteekjes. Ik had plezier in het klimmen, in het afzien, voelde me onsterfelijk. Op een zomerse zaterdagochtend parkeerde ik de auto in Esneux. Hup, achterklep open, fiets eruit. Even het voorwiel erin hangen en gaan. Diezelfde middag stond ik weer bij de auto; tweehonderddertig kilometer op de teller. Moe? Ongetwijfeld wat loom, maar vooral voldaan. Ik vond het fietsen daar veel te leuk om er écht moe van te worden.

Dit speelde allemaal een jaar of vijftien geleden. Ik loop inmiddels tegen de veertig, dus ik weet niet of ik die tweehonderddertig kilometer nu nog met hetzelfde gemak zou wegtrappen als in mijn golden years. Waarschijnlijk niet. Over een ruim een maand is het huisje definitief weg. Het einde van een tijdperk. Het voelt gek, haast onwerkelijk. Zonder racefiets was ik niet vaak in de Ardennen gekomen – zoveel is zeker. Tegelijkertijd weet ik niet of ik zonder de Ardennen ooit wel was gaan fietsen.

Foto: Jaymantri (Pexels)