Column: Gebroken

Column: Gebroken

Profwielrenner zijn is leuk totdat je over het Franse asfalt schuift.

Anno 2020 is (bijna) alles in de wielersport meetbaar. Met andere woorden: iedere sterveling kan een sportkeuring ondergaan in een ziekenhuis en op basis daarvan kun je zeggen of je mee kunt komen in wedstrijden. Of je competitief bent. Om mee te kunnen doen voor de prijzen in de Tour de France heb je een VO2max nodig van tachtig. VO2max zegt iets over de maximale zuurstofopname. De gemiddelde man mag blij zijn met een VO2max van vijftig.

In het wielrennen zijn cijfers heilig, ook al zeggen ze niet alles. Een klotedag laat zich lastig voorspellen. Wie iedere rijstkorrel op een weegschaal legt weet in ieder geval dat hij nooit teveel eet. Mentaal gezien kan dat al helpen. Als je denkt dat je in vorm bent zul je daar waarschijnlijk ook naar handelen.

Mollema ging vorige week onderuit en brak daarbij zijn pols. Met een breuk doorfietsen is niet onmogelijk, afhankelijk van wat er stuk is. Een gebroken pols is lastig – je wilt toch kunnen sturen. Mollema werd overgebracht naar het ziekenhuis waar de pols met succes werd geopereerd. Toen moest de grote klap nog komen; vanaf de bank toezien hoe de rest van het peloton met vijfenveertig gemiddeld door Frankrijk raast.

Alsof je er nooit onderdeel van bent geweest.

Een gebroken pols doet niets af aan de topvorm van een renner. Je hart gaat er niet anders van kloppen, je benen worden er niet slapper van. Hooguit zal de pijn je een slapeloze nacht bezorgen. Maar is dat ernstig? Nee.

Het ergste aan de polsbreuk van Mollema is het mentale aspect. Wielrenners kunnen veel, maar in toekijken vanaf de zijlijn zijn ze niet goed. Een wielrenner wil fietsen. Fietsen, fietsen en nog eens fietsen. Gekneusde ribben? Effe doorbijten. Bloedende knie? Denk aan iets leuks. Wielrennen is bij uitstek de sport van het doorgaan. Doorgaan tot je er bij neervalt.

Soms letterlijk. Daar zijn voorbeelden van. Ik ga ze niet noemen.

Steven Kruijswijk en Bauke Mollema zullen elkaar begrijpen. Steven brak voorafgaand aan de Tour zijn schouder en zag het hele cirus aan zich voorbij gaan. Dat moet even slikken zijn geweest, want vorig jaar stond Steven nog op het podium in Parijs.

Het gemak waarmee een simpele valpartij roet in het eten kan gooien, dat is wat me misschien wel het meest heeft belemmerd om er vol voor te gaan. In de paar wedstrijden die ik in mijn leven heb gefietst werd er ook gevallen. En niet minder hard. Vallen is vallen. Een vluchtheuvel is lastig te zien als er dertig man voor je fietsen. Goed kunnen sturen, dat is niet iedereen gegeven. Ook bij de profs zijn er verhalen over bepaalde renners waar men liever uit de buurt blijft zodra er een bocht komt. Met vijftig per uur op een rotonde afstevenen is niet moeilijk, maar die snelheid op de rotonde proberen vast te houden wel.

Ik heb nog nooit wat gebroken. Even afkloppen. Wel ben ik een keer frontaal op een tegenligger gebotst, maar dat liep goed af.

Je moet als wielrenner niet alleen fysiek superieur zijn. Pijn verbijten doe je tussen de oren. Steeds weer opnieuw met negentig naar beneden willen rollen, slechts gekleed in een shirtje en een korte broek; dan spoor je niet helemaal. Als de val eenmaal komt, dan is het zaak om zo snel mogelijk weer op te staan. Huilen kan altijd nodig. In een ziekenhuisbed, of thuis, vanaf de bank. Zonder fiets is de renner pas echt gebroken.

Over de auteur

Deze column is geschreven door Derek Hogeweg. Derek is programmamaker bij OOG Radio en fanatiek wielrenner. Zijn columns gaan over uiteenlopende onderwerpen. In alle gevallen betreft het de mening van een lange man.

Foto: Derek Hogeweg