Column: Gratenpakhuis

Column: Gratenpakhuis

COLUMN – Mijn goede voornemens voor 2021: geen goede voornemens meer maken en niet langer het aantal biertjes documenteren in een Excel-bestand.

In de voorlaatste week van 2020 werd ik verkouden. Dit was een dag nadat ik een selfie had gemaakt vanaf de spinningbike. Ik bekeek de foto nog eens goed en zag dat je de ribben kon tellen. Op zich is het prima om dun te zijn, maar je kunt ook doorslaan – en doorslaan, daar ben ik goed in. Met name op sportief gebied. In vier van de twaalf maanden van 2020 dronk ik geen druppel. Geen bier, geen wijn (drink ik sowieso nooit), geen sterke drank. Niets. De fles fladderak, die ik van mijn vriendin kreeg met Kerst in 2019, is nog altijd niet leeg.

Het voelde goed om niet te drinken. Niet dat ik veel verschil merkte met toen ik nog wel dronk, maar toch. Ik voelde me net iets minder moe, was net een beetje fitter. De gemiddelde snelheid op de racefiets kroop omhoog. Het herstel verbeterde en de weegschaal begon af te tellen.

Dat aftellen ging tergend langzaam, maar feit is dat ik steeds lichter werd. In het voorjaar van 2020, zo rond april, was ik al vier kilo lichter dan in januari. Sport, sport en nog eens sport. Hier in het hoge noorden maken die paar kilo’s misschien niet het verschil, maar tijdens de zomervakantie in de Ardennen had ik er wel degelijk profijt van. Op sommige beklimmingen danste ik omhoog. In de schaduw zag ik het silhouet van een gratenpakhuis. Ik deed qua vetpercentage niet onder voor een profwielrenner. Niet dat ik met een prof mee omhoog had gekund. Op dat niveau zit ik nou ook weer niet.

Halverwege 2020 kon ik de verleiding niet langer weerstaan. Toen de halve liters Estrella Damm in de aanbieding waren gunde ik mezelf wat alcohol. Het zal ook aan het weer hebben gelegen. Tijdens de naweeën van een broeierige dag smaakt een koud biertje nou eenmaal veel lekkerder.

Terwijl ik het blikje verkreukelde en in de prullenbak gooide, kreeg ik meteen een slecht gevoel. Het gevoel dat ik wel eens heb nadat ik bij McDonald’s heb gegeten. Of wanneer ik ’s avonds geen weerstand kan bieden aan een zak paprikachips. Het is een soort schuldgevoel dat iedereen wel kent. Een gevoel dat je je hart en bloedvaten indirect aan het vernietigen bent. Ineens zie je jezelf in een ziekenhuisbed liggen. Naast het bed staat een arts die nog maar eens duidelijk maakt:

“Meneer Hogeweg, u graaft uw eigen graf met mes en vork”.

Dit schuldgevoel was natuurlijk nergens voor nodig. Een keer een biertje is prima. Twee ook wel. Het herstelvermogen van het menselijk lichaam is enorm. Zeker zolang je de veertig niet bent gepasseerd.

Eind december werd ik dus verkouden. Ik liet me uit voorzorg testen op corona. De uitslag was negatief. Desondanks was ik doodop. In de spiegel zag ik een gratenpakhuis. Mijn brede schouders leken ineens een stuk minder breed, over mijn hele lijf waren aderen zichtbaar. De dunne armen deden me denken aan een foto van Chris Froome van een paar jaar geleden. Een foto van Froome met ontbloot bovenlijf; dun, dunner, dunst. Over de foto ontstond de nodige ophef. De conclusie leek eensgezind: professioneel wielrennen is niet gezond. Topsport sowieso niet.

Het feit dat ik verkouden werd was reden om het gas even los te laten. Even een tandje terug. Het nadeel van in topvorm zijn is dat je extra kwetsbaar bent. Het fanatisme van 2020 bracht me weliswaar mooie sportprestaties en een goed gevoel, maar het bracht me ook terug bij de realiteit. De realiteit is dat je soms gewoon de teugels moet laten vieren. Soms is even ongezond doen juist de sleutel tot een goede gezondheid.

Over de auteur

Deze column is geschreven door Derek Hogeweg. Derek is programmamaker bij OOG Radio en fanatiek wielrenner. Zijn columns gaan over uiteenlopende onderwerpen. In alle gevallen betreft het de mening van een lange man.

Foto: Derek Hogeweg