Column: Hier aan de kust

Column: Hier aan de kust

COLUMN – Zeeland associeerde ik met water, vis en Duitsers.

Niet onterecht, zo bleek na een lang weekend Roompot in Dishoek, onder de rook van Vlissingen. De witte nummerplaten waren in de meerderheid, de Duitsers – en één verdwaalde Zwitser – kwamen uit alle hoeken en gaten, van Bremen tot Beieren. Onze tent keek uit op de achterkant van een caravan met daarop de tekst My rolling home is my castle. Duitsers. Een dikke man met een nog dikkere vrouw. Toen op een zekere namiddag een konijn aan kwam lopen grapte de man dat we verzekerd waren van ons avondeten, hij moest er zelf nog het hardst om lachen. Eenmaal uitgelachen verdween de Duitser in de caravan, waarna ik een vrouw in lachen hoorde uitbarsten. Waarschijnlijk ging het over de konijnengrap maar zeker weten deed ik dat niet.

Naast ons stonden Nederlanders. Ik kon het accent niet helemaal plaatsen, het klonk als Brabants met een vleugje Limburgs. Geen mooi accent. Toen ik op de dag van aankomst aanstalten maakte om de eerste haring de grond in te slaan zei de vrouw wij gaan kijken, altijd leuk. Ik wilde daar gevat op reageren maar wist niets te zeggen. De Nederlanders hadden een Holiday-caravan, van het merk Eifelland, het model dat mijn ouders ook hadden in de laatste jaren voor de scheiding. Misschien was het wel exact dezelfde, maar die kans achtte ik klein. Voor de caravan was een strook gras afgebakend met een blauw hekje, in het midden twee hondjes. “Luuster nou toch esss verdommie!” riep de vrouw eens in de zoveel tijd, bij geblaf. De man hield vanuit zijn klapstoel de hele dag Buienradar in de gaten, ik kreeg een vreemd soort medelijden.

Een andere man, schuin tegenover ons, staarde vooral. Geen idee wat er te zien was, blijkbaar waren we interessant. Mijn vriendin vond het maar een engerd, ik sloot me daarbij aan. Een aardige engerd, dat wel, de man begon een gesprek terwijl ik op het punt stond mijn tanden te gaan poetsen. Binnen de kortste keren ging het over iemand die alleen hij kende. Die iemand had reuma. “Haar lijf vreet haar van binnen helemaal op.” Ik was gewapend met een tandenborstel en een tube Colgate, zocht naar een moment om de man enigszins respectvol te onderbreken, wilde hem niet onnodig kwetsen. Ik hield de rode tube Colgate wat hoger, dit signaal werd niet begrepen.

In Zeeland deden we wat je doet als je in Zeeland bent. Lopen over het strand, genieten van de vergezichten, mosselen eten, een vuurtoren van binnen bekijken, toeristische trekpleisters bezoeken. Op de meest regenachtige dag reden we naar Terneuzen. Ergens halverwege de Westerscheldetunnel kon ik het niet laten: “hier is het in ieder geval droog”. Galgenhumor. In Zoutelande werd ik herenigd met het oude normaal, voor zover je het normaal kon noemen. Geen mondkapjes, wel een invasie van zeepdispensers en, jawel, daar zijn ze weer, Duitsers. In een strandtent stonden de maatregelen zelfs op bierviltjes, voor het geval je per ongeluk aan het genieten was. Het toeval wilde dat ik zelf een paar keer flink moest hoesten. “Ik denk dat ik de Zeeuwse variant te pakken heb, ik lijk wel een zeehond!”, zei ik tegen mijn vriendin. In Zoutelande liepen we over de dijk en aten we pizza in een bomvol restaurant. De zin is alles naar wens had ik lang niet gehoord, ik vroeg voor het eerst in jaren weer eens om de rekening. Geen fooi.

Vanaf een duintop keken we naar de voorbijglijdende vrachtschepen, onderweg naar Antwerpen, of naar de zee. De haven van Zeebrugge aan de horizon. In mijn hoofd stond Aan de kust van BLØF op repeat. Hier aan de kust, de Zeeuwse kust… waar eenieder onbewust, in het Duits wordt aangesproken…

Er bleek geen woord aan gelogen.

Over de auteur

Deze column is geschreven door Derek Hogeweg. Derek is programmamaker bij OOG Radio en fanatiek wielrenner. Zijn columns gaan over uiteenlopende onderwerpen. In alle gevallen betreft het de mening van een lange man.

Foto: Derek Hogeweg