Column: Hoop

Column: Hoop

COLUMN – In het werkende leven is reflecteren de normaalste zaak van de wereld. Op persoonlijk vlak ligt dat wat gecompliceerder.

Afgelopen zaterdag was ik jarig. Ik ben drieëndertig geworden. Een cadeau waar ik me al bijna twee jaar op had verheugd, ging niet door; de start van de Tour de France. De laatste keer dat de Tour op 27 juni begon, was in 1979 – meestal valt het Grand Départ in de eerste week van juli.

Helaas. Op naar 2061.

Drieëndertig ben ik dus. Ik zou mezelf kunnen omschrijven als kind van de TMF-generatie. Opgegroeid met Super Mario en MSN. Groot geworden in de hoogtijdagen van Robbie Williams en Anouk. De juf had nog witte krijtjes en een groen bord, maar de hele klas voelde dat dat niet lang meer zou duren.

De dooddoener “er is veel veranderd” zal ik achterwege laten.

Mijn vader waarschuwde me weleens. Hij zei dan dat ik vooral moest genieten van de onbezorgde jaren, want “werken kan je je hele leven nog”. Daar had hij een punt. Natuurlijk heeft volwassenheid zo zijn voordelen, maar de vrijheid die je als jochie van zeven ervaart, is onbetaalbaar. Het totale gebrek aan verantwoordelijkheden – op je bord leegeten na – is iets unieks dat ik nog weleens zou willen herbeleven.

Toen ik een jaar of tien was, kwam ik terecht bij de lokale basketbalvereniging in Nuenen. Ik kwam er terecht; ik zou kunnen zeggen dat ik me vrijwillig aanmeldde, maar gezien mijn leeftijd toen is dat niet erg waarschijnlijk. Ik was een lange, ietwat slungelige jongen. Mijn lengte duwde me bijna automatisch in de richting van deze sport. Anderzijds: met voetbal had ik niet veel en atletiek was dusdanig breed dat ik het niet overzag.

Achteraf gezien had ik beter kunnen gaan wielrennen. Achteraf. Met de kennis van nu. Ik had het ver kunnen schoppen. Oké, het is allemaal speculeren, maar als ik van het meest gunstige scenario uit ga, dan had ik voor een ploeg kunnen fietsen. Misschien op het hoogste niveau, of anders een treetje lager. Basketballen vond ik niet bijzonder leuk. Wielrennen wel.

Dit ontdekte ik daags na mijn eenentwintigste verjaardag, in 2008.

Ik stond destijds voor de keuze: laat ik alles uit mijn handen vallen, in een poging de top te halen? Of blijf ik braaf op deze bureaustoel zitten, getroost door de gedachte dat de kans toch niet zo héél groot is dat ik me ooit zal kunnen meten met de wereldtop?

Het werd dat laatste. Ik heb een blauwe maandag wedstrijden gereden, maar echt lekker ging dat niet. Ik kwam tekort. Had ik dat verschil bij kunnen trainen? Misschien. Ik heb goede genen, maar dat is niet genoeg. Talent is leuk maar weinig waardevol als je het niet op de juiste manier benut.

Soms denk ik weleens “had ik maar…”. Steevast gevolgd door de gedachte dat het zinloos is om zo te denken.

Ook nu mijn conditie beter is dan ooit, twijfel ik nog weleens. De wereldtop gaat het niet meer worden, maar er is veel mogelijk. Het nieuws dat Pieter Weening op zijn negenendertigste weer op het hoogste niveau gaat fietsen, doet me goed. Het geeft hoop. Topsporters worden soms bij de eerste de beste grijze haar afgeschreven, terwijl dat lang niet altijd terecht is. Er zijn veertigers geweest die de Tour hebben uitgereden. Oké, het zijn er niet veel. Maar toch: als man van drieëndertig hoeft het niet te laat te zijn. Er is nog hoop.

Over de auteur

Deze column is geschreven door Derek Hogeweg. Derek is programmamaker bij OOG Radio en fanatiek wielrenner. Zijn columns gaan over uiteenlopende onderwerpen. In alle gevallen betreft het de mening van een lange man.

Foto: Derek Hogeweg