Column: IJspret

Column: IJspret

COLUMN – Nederland raakte door enkele nachtvorstjes in staat van complete krankzinnigheid. Erben Wennemars riep bij een ijslaag van slechts twee centimeter; “It giet oan”. Maar Wiebe Wieling, voorzitter van de Elfstedentocht, keek zuur; “It giet net oan”, zei hij, en trok z’n conservatieve corona-gezicht.

God straft onmiddellijk. Waar andere provincies te maken hadden met ‘de winter des doods’, dooide het in Friesland. Met een beetje geluk was ik profschaatser geworden. Dan had ik nu m’n rondjes gereden bij het WK afstanden in Heerenveen. Mijn geheim is dat ik uitsluitend schaats met verwarmde inlegzolen. “Nooit eerder gezien”, riep Henry Schut, de buikspreekpop van de NOS. Die zooltjes liggen anders al twee jaar gewoon tegenover de kaasstengels bij de Lidl.

Mijn schaatscarrière begon in de Amsterdamse Joh. Verhulststraat, drie hoog. Op de zwart-wit televisie keken mijn ouders naar Ard Schenk en Kees Verkerk. Ik schaatste op geitenwollen sokken met ze mee van mijn kamertje over de gang via de keuken naar de woonkamer en terug. “Pas maar op dat je niet door het ijs zakt”, riep mijn moeder lachend na iedere ronde.

Op de bevroren Amsterdamse grachten bleken de Friese doorlopers te klein. De krul zat ergens onder m’n schoen zodat m’n tenen omhoog keken. En toen ik mijn eerste ijshockeyschaatsen aantrok stonden mijn benen en enkels in een vreemde hoek. Alsof ik een ei moest leggen. Ik voelde me hulpeloos. Je schaatst niet. Je loopt alsof je wilt vluchten maar je komt niet vooruit.

Schaatsmeisjes versieren bleek uiterst moeilijk als je de status had van krabbelaar. Op het Amsterdamse Olympia Plein stond ik vaak de hele avond stoer tegen een paal aan-gevroren bij de Koek-en-zopi tent. Alleen de warme chocomel zorgde bij deze temperaturen nog voor enige hartslag. Op een keer had ik een mooi schaatsmeisje versierd. Voor de variatie hing ik nonchalant tegen een lichtmast. Het was zo koud dat het zoenen compleet mislukte vanwege geklappertand. “Als je net zo schaatst als je zoent wordt het vanavond niks meer”, zei ze. Dat klopte.

Na uren krabbelen bleek dat m’n fietssleuteltje kwijt was en moest ik voor straf klunend naar huis. De hulp kwam van ome Jan. “Achter een stoel leer je het snelst”, onderwees hij. De volgende dag stond ik in het Vondelpark trots achter de kappersstoel uit de zaak van mijn oma. Er zaten helaas wieltjes onder en de stoel ging z’n eigen weg. Uren reed de stoel met mij erachter over het ijs. Ik moest thuis met mijn kin aanbellen want mijn vingers zaten nog om de rugleuning.

’s Nachts droomde ik van een dubbele axel, gevolgd door een rittberger en een enkele spot. Maar op een gegeven moment moet je accepteren dat je schaatscarrière voorbij is. Ik was inmiddels in de veertig en toe aan m’n zevende stoel.

Gisteren lag er diep zwart ijs op mij te wachten. Een man met een geel hesje stak z’n hoofd door het geopende portierraampje. “Teveel mensen”, zei hij alsof hij voor ijsmeester studeerde. “Ik ben profschaatser”, zei ik. Het gele hesje keek van m’n coronabuik naar de achterbank. “Op Friese doorlopers?” grinnikte hij. Thuisgekomen deed ik m’n geitenwollen sokken aan en reed de 1500 meter tegen Kjeld Nuis. Ik won. En in de verte applaudisseerde m’n moeder.

Over de auteur

Deze column is geschreven door Ronny Lammers. Ronny schrijft elke zondag een spraakmakende column waarbij hij geen blad voor de mond neemt. Ronny is eigenaar/coach van ITP Institute Tennis Promotion en traint met zijn team alle niveau’s in het noorden van Nederland.

Foto: Ronny Lammers