Column: Naar Jever en terug

Column: Naar Jever en terug

COLUMN – We, mijn fietsvriend en ik, hadden bedacht om naar Jever te fietsen. Het bleef niet bij wilde plannen.

Hoe we precies op het idee kwamen, weet ik niet meer. Het begon min of meer met de overweging om vijf dagen door Duitsland te gaan fietsen. Van Groningen via Walsrode naar de Harz en langs Vechta weer terug. Uiteindelijk hield slechts de eerste etappe (Groningen – Jever) stand.

Donderdagochtend troffen we elkaar op een kruising in Noordbroek. Noordbroek, omdat de aanloop vanuit Vries nou eenmaal anders is dan die vanuit Groningen. Via Scheemda en Hongerige Wolf fietsten we naar Nieuw-Statenzijl, bij de Duitse grens. Het wegdek werd er niet beter op. In Duitsland kan een fietspad zo glad zijn als een biljartlaken, maar net zo goed tril je van je stuur. Dit laatste was het geval op het stuk van de grens tot het veerpontje in Ditzum.

De overtocht naar Emden duurde een kwartier. Een mondkapje bleek niet nodig.

In het centrum van Emden moet je niet willen fietsen. Fietspaden ontbreken, hoewel de Duitsers waarschijnlijk zullen beweren dat een stoep prima fietst. Nou, nee.

Na Emden veranderde het landschap. Weiland, weiland en nog eens weiland. Af en toe wat koeien en gele plaatsnaamborden. In Greetsiel was ik al eens geweest. Greetsiel: een soort Volendam maar dan anders. Het rook er naar vis.

In Norddeich zochten we een terras op voor een stevige lunch. Lekkerbek met patat; prima brandstof. Na Norddeich begon het afzien. Niet zozeer vanwege de aantrekkende wind, maar meer door de plensbui die ons enigszins overviel. Langs de zeedijk waren bijzonder weinig opties om te schuilen, dus trapten we maar door. Doorweekt en met het hoofd bij een warme douche kwamen we aan in Esens.

Het regende nog altijd. Dit stopte pas in Wittmund, waar Jever voor het eerst stond aangegeven. We waren zes kilometer verwijderd van het hotel, toen ik mijn achterwiel voelde wegslippen. Lek. Gelukkig had ik drie nieuwe binnenbandjes in mijn overvolle rugzak.

Jever was leuk. Een gezellig plaatsje. Geen stad en geen dorp. Bekend vanwege de grote brouwerij, waar het Jever-bier wordt gebrouwen. Een pils dat kenners doorgaans omschrijven als “hoppig”, maar ik proefde toch vooral gewoon pils. Na drie glazen trok ik een streep, met name omdat het de vooravond was van de tweede etappe.

De terugweg kwam uit mijn koker. De snelste route via Leer liet ik links liggen. Mijn oog was gevallen op de Thülsfelder Stausee, een stuwmeer net onder Friesoythe. Hierdoor werd het geen honderddertig kilometer naar huis, maar tweehonderdvijf. Achteraf gezien was honderddertig ook wel genoeg geweest na de honderdzeventig van een dag eerder.

Vanuit Jever fietsten we via Bad Zwischenahn naar de Thülsfelder Stausee. Echt bijzonder was dit stuwmeer niet, daar waren we het over eens. Imposanter was het aantal nog af te leggen kilometers naar de grens bij Bourtange. Dit was overigens een mooi stuk van Duitsland, met uitgestrekte velden en een wat glooiend landschap. Niet dat platgeslagen Ostfriesland.

Op het terras in Bourtange deed ik een laatste poging mijn energietekort aan te vullen met cafeïne en een koffiekoekje. Het mocht niet baten. De laatste zestig kilometer waren een hel. Bijna vierhonderd kilometer fietsen in twee dagen – ik had niet eens bedacht dat dat zwaar zou kunnen worden. Bovendien: ik zou het zo weer doen.

Over de auteur

Deze column is geschreven door Derek Hogeweg. Derek is programmamaker bij OOG Radio en fanatiek wielrenner. Zijn columns gaan over uiteenlopende onderwerpen. In alle gevallen betreft het de mening van een lange man.

Foto: Derek Hogeweg