Column: Poppenkast

Column: Poppenkast

COLUMN – Twaalf uur nadat Italië het songfestival had gewonnen hing de euforie aan een zijden draadje.

Het draadje hield geen stand, de rode cabine boorde zich in de flanken van de Mottarone. Beelden van een verwoeste gondel, schuin tussen de bomen, als een stilleven dat niemand wilde zien. De vergelijking met de ingestorte brug in Genua, augustus 2018, liet niet lang op zich wachten. De vraag of er in Italië toevallig nog meer op knappen stond kon ik op basis van eigen ervaringen niet beantwoorden, daarvoor was ik er niet vaak genoeg geweest. Die ene keer dat ik er wél was had er midden op de snelweg ineens, zonder vooraankondiging, een rijdende afzetting gestaan. Daarnaast bleek het geboekte hotel bij aankomst gesloten. Opgegeven reden: “ze zijn hier bezig met de aanleg van een TGV-lijn.”

Was dit typisch Italiaans of gewoon Zuid-Europees? Dat bleef de vraag.

Sommige landen in Europa associeerde ik, bij gebrek aan creativiteit, uitsluitend met het songfestival. Zoals Moldavië, of Azerbeidzjan. Van die landen wist ik niet veel, behalve dat sommige inwoners ooit verkleed als matroesjka op een podium hadden gestaan. Wanneer ik Azerbeidzjan hoorde kwam ik niet verder dan “good evening Europe” en “our twelve points go to”. Verder leken de Azerbeidzjanen me een excentriek volk maar ik wist niet precies waarom. Het songfestival associeerde ik andersom met Oost-Europa, met vlaggetjes, met travestie, met Cornald Maas, met onnodig lang wachten op een uitslag en in bredere zin met het woord “poppenkast”.

Bij Italië dacht ik op muzikaal vlak aan Eros Ramazzotti, Zucherro Fornaciari en Paolo Conte. Vooruit: en aan Laura Pausini. Muziek voor bij de pasta. Hardrock paste niet direct in het plaatje van olijfbomen en cappuccino. Aan de andere kant zei dat misschien meer over mij, hoewel ik op social media mensen zag verkondigen dat het songfestival volgend jaar in Italië wordt gehouden, gevolgd door #pizza.

Een land met zestig miljoen inwoners moet je niet willen terugbrengen tot een belegde deegbodem.

Toen duidelijk werd dat de Italianen gewonnen hadden schreeuwde leadzanger Damiano David, met ontbloot bovenlijf en Rammstein-uiterlijk, “rock ’n roll never dies!”. Hiermee was het plaatje van de ontspoorde artiest, die na elk optreden zijn gitaar in tweeën breekt en hotelkamers verbouwd, compleet. Hij hoefde nu alleen nog maar te bukken, de drugs verzonnen we er wel even bij. In Parijs riepen ze iets te vroeg voilà en in Zwitserland kletsten de overwinningskreten onterecht tegen de Eiger Nordwand.

Het idee dat Chantal Janzen voor veel Europeanen de eerste kennismaking was met Nederland vond ik vrij ernstig, je wilde er het liefst een mail achteraan sturen ter geruststelling.

“Het lijkt hier verschrikkelijk, maar geloof me, dat is het niet.”

Ik realiseerde me dat het songfestival misschien wel het enige was wat Europa nog bij elkaar hield. Dat Engeland nul punten kreeg leek me geen toeval, uit het oog is uit het hart. Wit-Rusland deed niet mee, de inzendingen waren allebei afgekeurd vanwege de politieke lading – en politiek, daar moeten ze op het songfestival niets van hebben. Tijdens de aftiteling vroeg ik me af waarom ik wéér vier uur naar deze poppenkast had gekeken. De poppenkast die Europa heet.

Over de auteur

Deze column is geschreven door Derek Hogeweg. Derek is programmamaker bij OOG Radio en fanatiek wielrenner. Zijn columns gaan over uiteenlopende onderwerpen. In alle gevallen betreft het de mening van een lange man.

Foto: Derek Hogeweg