Column: Samen Scheppen

Column: Samen Scheppen

COLUMN – Het is best wel frisjes als ik om vier over vier de deur zacht achter me dichttrek en de donkerte instap.

De buurtgenoten liggen allemaal nog in hun kussens weggedoken als ik mn handschoenen aantrek en richting kanaalbrug wandel. Het is stil, zelfs voor de vogels is het nog te vroeg bedenk ik als plotsklaps een koppel eenden kwetterend opvliegt zodra ik de brug oversteek. Schuin de oude rijksweg overstekend loop ik naar links en passeer even later het verzorgingstehuis dat ook in diepe rust is. Het zal daar helemaal een stille boel zijn, geen visite voor de quarantaineoudjes, de deur is dicht maar uit het raam kijken kan gelukkig nog wel. Buurvouw Lizet doet daar ambtshalve haar zorgding en kortgeleden heeft ze met wat collega’s een megagroot en zichtbaar teken van hoop & medeleven op het plaveisel geknutseld, leuk gedaan al zeg ik het zelf. 

Die oudjes maken toch wat mee, ‘k schat dat ze gemiddeld zo rond de 80 leefjaren op hun teller hebben staan en even snel rekenen leert dat het gros van hen het bouwjaar rond het begin van WOII kunnen claimen. Ze hebben de oorlog dus meegemaakt, de meesten als zuigeling of kleine dreumes, en enkelen zullen vaag bewust de tijd van honger en gebrek uit hun kindertijd nog in herinnering omhoog kunnen halen. Ondanks schaarste en strijd viel het – relatief gezien – in het Noorden en Oosten van ons kikkerlandje mee wat betreft de voedselvoorziening. Medelanders die in de Utrechtse en Hollandse provincies woonden waren er beduidend slechter aan toe en konden op een houtje bijten. Uit mijn jeugd ken ik de bittere verhalen die mijn moeder af en toe vertelde, zij was een Utrechtse die door het Europese oorlogsgedoe de bittere realiteit van honger en gebrek heeft  ondervonden. Geluk bij een ongeluk was dat ze aan een naar Utrecht gezonden Noorderling was blijven kleven die later mijn vader zou worden.

Ze vertelde over de Hungergames die toen gehouden werden en die niet alleen zij, maar miljoenen Nederlanders doorleefd hebben en niet een winter lang, maar alle winters, zeven jaren lang! Het was mazzel hebben dat mijn paps-in-spe uit het Hoge Noorden kwam, hier was veel meer voedsel voorradig dan in het Wilde Westen en bij zijn ouders kon hij zijn vriendinnetje en haar familie wat laten bijbunkeren. Mijn nu 83-jarige neef Jakob Niemeijer was daar toentertijd als kind van een jaar of tien ooggetuige van en het maakte enorme indruk op hem “Ik zat naast jouw moeder. Het viel me toen op dat ze zichtbaar heel erg mager was. Ik ben dat nooit vergeten en vond dat toen heel erg”.

Zelf kreeg ik als kind de verhalen mee over het nijpende voedselgebrek van toen en van hongertochten die ondernomen werden. Over gaarkeukens en het eten van suikerbieten en tulpenbollen en dat alles omdat de wereld door oorlogsgeweld compleet in een Lockdown type 0.2 terecht gekomen was. Als jonge deerne van 21 ging mams in 1940 de Tweede Mensenslachting in maar ondanks alle ellende gaat de natuur zoals altijd ongestoord zijn gang en al snel was een nieuw mensje daar. Dat gaf natuurlijk wel wat gedoe, want ja, eten, drinken, kleding dat was echt wel een dingetje toen, zeker in een grote stad als Utrecht waar elk hutje-mudje en op een kluitje leefde,  tekorten op elk terrein werden al rap standaard kost.

Terwijl ik het verzorgingstehuis voorbij wandel richting het hertenkampje komt haar verhaal over een moeizame reis en wandeltocht naar het Hoge Noorden bij me omhoog. Hier was uitkomst, onderdak & werd de maag van moeder-en-de-kleine gevuld. Het is iets waarover ik later mijn gedachten wel eens heb laten gaan en bedacht me dat ze dubbele pech en tegelijk ook wel weer pure mazzel gehad heeft. Zelf was ze gefabriceerd in de nadagen van de Eerste Mensenslachting van 1914-1918, een periode van jaren waarin ons landje aan de Noordzee ook al te lijden had gehad van honger en gebrek en daar bovenop ook nog een pandemische ziekte, de Spaanse Griep. Ook toen waren het vooral de Nederlanders die in de Utrechtse en Hollandse provincies woonden die op een houtje moesten bijten en de overheid van arrenmoede met gaarkeukens de massa probeerde te voeden, want handel is handel.

Wat het Westland toentertijd als groentekas voor de stedelingen produceerde werd met megawinsten aan de goedbetalende buitenlanders verpatst, daar hadden ze het namelijk te druk met het produceren van oorlogstuig. Daarvoor kregen de Nederlanders de nog vaag in het geheugen liggende vieze en met zaagsel vermaalde & van vleesafval bereidde ‘Eenheidsworst’ terug. Een beetje historisch geïnteresseerde weet misschien nog iets over de Hongeroproer in de grote steden zoals in de Amsterdamse Jordaan. Die tijd was ook het bouwjaar van mijn moeder, een hongertijd waarin de voedselvoorziening bar slecht was en ja, dat lijkt iets met je immuunsysteem te doen, ongezonde, ontoereikende, eenzijdige voeding, iets met DNA-schade. Haar moeder had het, zij kreeg het, net als miljoenen andere Nederlanders. 

Nauwelijks droog achter de oren kreeg ze als jonge vrouw in de Tweede Ronde opnieuw te maken met schaarste en gebrek, dat was even pech hebben. Lastiger werd het toen in 1944 de Nederlandse treinen stilgezet werden, iedereen werd opgehokt, eingesperrt en de moffen geallieerd gebombardeerd. Straffe maatregelen werden genomen, ja, dat was noodzakelijk, want het Herrenvolk moest natuurlijk grondig ‘Ausradiert werden’, lastig was wel dat er door de door Londen opgeroepen treinstaking geen biet meer beneden de grote rivieren arriveerde. Daar mochten de Nederlanders van toen in groter en algemeen belang verrekken.  M’n moeder heeft overleefd, dat kan niet anders, anders hadden ze mij na de oorlog niet kunnen boetseren, maar last hebben ze er wel degelijk van gehad, doodziek zijn ze er van geweest en een van mn zusjes heeft het niet na kunnen vertellen. Zij – Sofia Pieternella – was 1 van de 125.000 niet Joodse Nederlandse slachtoffers die de Hongerwinter van 44-45 niet overleefd hebben.

De herten kijken me slaperig verwonderd aan als ik hen met gezwinde pas passeer, niet veel later klauter ik de treden van het Hoog Holtje op, een van de boogbruggen rond de kleine haven van het dorpje. Een appje van m’n dochter van gisteren schiet me te binnen, ze stuurde ook een foto mee van het tuintje die ze aangelegd had, tegels eruit, grond erin en ze was best trots op haar prestatie. Wel een beetje aartje naar haar vaartje denk ik dan zo. Ze is de laatste jaren – net als veel Nederlanders trouwens – steeds meer geïnteresseerd geraakt in gezondere voeding, vers eten uit eigen tuin, biologisch, boontjes vers van de pers en niet uit Timboektoe. Ook ik heb deze week met buur afgesproken dat we op zijn braakliggend deel een gezamenlijke tuin in elkaar spitten en  eergisteren heb ik m’n schep de grond ingestoken. Planten en bloemen zijn danwel ook mijn dingetje en vorig jaar heb ik met een andere buurtgenoot het grasland van buuf Lizet omgezet naar een buurttuin, dat zouden meer mensen (nu) moeten doen!

De boontjes en bloemkolen, net als al het menselijk groenvoer bij de super komt NU nog uit Verweggistan, uit Ethiopië, Marokko, Spanje .. maar.. heel Europa ligt letterlijk plat en de meerderheid van ons beseft niet dat heel de bestaande infrastructuur langzaam maar zeker stil komt te liggen, alles afsterft en instort. Het sociale, economische en maatschappelijke leven in en ver buiten Europa is compleet tot stilstand gekomen, de stekker is er finaal uitgehaald en nee, het is geen apparaat dat weer doordraait als de stroom er weer opgezet wordt, zo werkt dat eenvoudig niet. Dat heeft onoverzienbare en enorme consequenties, en zeker wat betreft de voedselvoorziening, een van de belangrijke punten die aangestipt werden in het TV-verhaal van gisteravond. 

Laat ik u niet bang maken, dat is nu ook weer niet de bedoeling, maar misschien is wel een idee om zelf de handjes te laten wapperen? Het is NU nog maar eind maart, bij ons in Nederland moet het voorjaar zichzelf nog uitpakken, het groeiseizoen staat voor de deur en zeker tot en met de maand mei heeft elk de tijd om zelf in actie te komen. Alle tijd om ZELF de handen aan de ploeg te slaan. Start een leuke en nieuwe hobby, graaf uw grasmat om, knikker de keien uit uw tuin, kiep het grind aan de kant en beplant. 

Het is vijf minuten over vijf als ik – nog steeds in het donker – via m’n voordeur m’n huisje binnenstap. Zo eerst een bak thee maken en dan de afwas van gisteren doen, krijg ik m’n tengels ook weer warm. Strax weer naar buiten, spitten in de buurttuin, boontjes en zaden in de kweekbakken zetten, kas verder inrichten, tuin achter en voor onder handen nemen, dat is mijn dingetje. M’n beste buur heeft zijn kwaliteiten weer op ander terrein, iets waar we zeker gebruik van maken, iets dat te maken heeft met een soort van tomatenplant die maar groen blijft, maar waar geen rooie tomaat aan lijkt te komen maar … wel groeit als de beste. 

Dochterlief appt tijdens de ochtendthee wat of ze verder nodig heeft in haar thuistuintje, ik app een klein lijstje terug: een zak bemeste potgrond voor het opkweken van de zaden, een zak houtskool om te verbranden en dan de as bodembemester door de grond mengen en als ze naar de Welkoop gaat daar een paar verpakkingen met groentezaden ophalen die ze graag eet (stamboontjes, rucola, sla, spinazie, etc), NU kan het nog! Ik ben benieuwd wat er van komt maar eigenlijk heb ik er wel vertrouwen is, zo moeilijk is het ook weer niet, je moet het allen maar doen. Gelukkig leven we het in het Hoge Noorden, in een klein Oost-Gronings dorpje woar de luu nog nuchter bint, de lucht nog helder en het land nog ruim is. Grunnen, waar de tuincentra & zaadhandels nog open zijn en niet zoals in België waar vele hobbytuiniers pech hebben en opgehokt thuis zitten en hopen dat ze nog op tijd voor het groeiseizoen hun tuin op kunnen. Dus.. alle handjes verzamelen, kom in actie, ga Samen Scheppen!

Over de auteur

Deze column is geschreven door Bert van Vondel. Bert is vrijdenker en oprichter van Stichting Vredesonderwijs Nederland. Als gastdocent geeft hij lessen in vredesonderwijs op basisscholen en middelbare scholen door heel Nederland. Bert schreef diverse boekwerken onder het pseudoniem van o.a. Fre Morel en Bertus Blommink.

Foto: Bert van Vondel