Column: De melkmuil en de muilkorf

Column: De melkmuil en de muilkorf

COLUMN – Wat ik nou zo flauw vind is dat, nu die mondflappen-toestand weer het troosteloze decorum moet vormen in deze toch wat natte, maar kleurige herfst, al die winkels vooral hun jongste bedienden instrueren om het winkelend publiek attent te maken op het algemene kledingvoorschrift. Het zijn degenen die het minste verdienen en het meeste te verliezen hebben.

Vorig jaar heb ik vele malen zo’n jong wichie, die ze op zaterdag bij de ingang van de Jumbo hadden geposteerd, de pas afgesneden door, voordat ze met haar vermanende boodschap kon beginnen, haar hoofdschuddend en fronsend aan te kijken met een opgeheven wijsvinger ten teken dat ze hier niet aan moest beginnen. Ik weet het, ik zet dat jonge volk klem omdat ze aan de ene kant, afhankelijk van die inkomsten, wel moeten gehoorzamen aan de regels van het concern, en aan de andere kant zo’n boomlange, ruig uitziende vent tegenover zich zien die de autoriteit uitstraalt die hun vader had moeten hebben. En die stilzwijgend en bozig (want het voortijdig overlijden van mijn moeder, afgedwongen door de quarantaine, zat nog vers in mijn geheugen) duidelijk maakte dat hij déze discussie niet aan wilde gaan met iemand die zijn zoon of dochter had kunnen zijn.

Een discussie die ik dan wel weer met diverse ouders ben aangegaan, simpelweg omdat ik vind dat je als ouder over de schouder van je kind moet meekijken deze wereld in, ook al zijn ze al twintig en verdienen hun eerste autonomie bij elkaar in de supermarkt of bij zoiets vaags als Gorillas. Zij zijn nog maar net begonnen, na enkele hopelijk wilde puberjaren, zich te vormen en zich te oriënteren op hoe ze dit leven willen invullen en hoe de liefde daar al of niet een rol in speelt. Zij kunnen nog niet genoeg ervaring hebben opgedaan die hun een werkbaar model oplevert van wat en hoe deze wereld in elkaar steekt en hoezeer je eigenlijk afhankelijk bent van allerlei factoren zoals bijvoorbeeld het al of niet functioneren van een overheid, de menselijke maatstaven die een manager hanteert binnen het bedrijf waar je werkt, de afleidingen die ervoor zorgen dat de partner waar je meende op verliefd te zijn toch onmerkbaar op een ander spoor als jij terecht komt etc. etc.

Het is een ingewikkelde wereld en je kunt van lui die nog maar net de middelbare school achter zich hebben niet verwachten dat ze al een besef hebben van het feit dat bijvoorbeeld de leugens van Rutte gigantische achtergronden en consequenties kunnen hebben. Wat zulke lui bekokstoven zonder het aan de volksvertegenwoordiging te melden kan op korte en middellange termijn consequenties hebben voor hún werkgelegenheid, hún ontplooiingsmogelijkheden en de mate waarin ze wel of niet comfortabel zullen kunnen leven. Als het bijvoorbeeld hun ideaal was om intensivist, horeca-ondernemer of piloot te worden dan zitten ze nu wel tegen een erg onzeker toekomstperspectief aan te kijken, maar de meeste ouders die ik heb gesproken interesseren zich geen ene moer voor deze ontwikkelingen in de maatschappij en leven dientengevolge bepaald niet mee met de zorg die hun kroost elke dag in het gezicht aanstaart.

Het nieuwe boodschappen doen

En aangezien ik weinig waardering voor zulke ouders kan opbrengen en ik mijn boosheid wel een keer te boven ben gekomen, probeer ik deze herfst wat vriendelijker tegen dat jonge spul te zijn. Indachtig Socrates die zei: “Wees vriendelijk, want elk mens die je tegenkomt voert een zware strijd”. Dus toen ik bij de Ikea wat spulletjes kwam afhalen probeerde ik zo min mogelijk confronterend te zijn toen een nog puisterige jongeman met het bedrijfslogo opgespeld op mij afkwam om mij op de flappenplicht te wijzen. Eerst probeerde ik nog het hem gemakkelijk te maken doordat ik het bestelnummer op mijn smartphone niet kon rijmen met het viercijferige ordernummer waarmee de aldaar hoog opgehangen displays jou oproepen als je order klaar is en ik dientengevolge daarvan heen en weer over die afdeling liep. Ook was niet duidelijk of je voor deze handeling een nummertje moest trekken en waar dát apparaat zich nou eigenlijk bevond. De jongen, ruim een kop kleiner dan ik, liep mij echter heel plichtsgetrouw al die heen en weer meters achterna om mij pas na geruime tijd eindelijk aan te spreken.

De volgende truc om het hem gemakkelijk te maken was om een algemeen verhaal af te steken over het feit dat het wel heel vervelend voor mensen met bijvoorbeeld COPD is om telkens bij binnenkomst in een winkel zich te moeten verantwoorden voor hun toestand, waar zij ook niks aan kunnen doen. Het is een algemeen verhaal waarbij je het nog steeds niet over jezelf hebt, maar de meeste mensen nemen dan gewoon aan dat je dergelijke ademhalingsproblemen hebt en laten je dan verder met rust. Voordeel van deze benadering is dat je niet liegt, niet een discussie hoeft aan te gaan op een moment dat jij dat niet wilt en met een beetje geluk gaat de ander stilstaan bij de consequenties van deze situatie. Dat die ‘ander’, in dit geval de COPD medemens, zo’n lullig kaartje bij de huisarts moet halen om zich te verantwoorden voor zijn lichamelijke toestand. Als de huisarts tenminste nog genegen is zo’n kaartje te verstrekken, want er zijn er genoeg die dat ook nog eens vertikken. Het lullige dat hier bovenop komt is ook nog eens dat slechts 15% van de bevolking hiervan schrikt.

De jongeman had echter nog niet de vaardigheid geleerd om dit soort subtiele sociale bewegingen (mijn afleidende praatje) goed op z’n merites te schatten en zette uit loyaliteit aan de baas de volgende stap: hij vroeg om mijn uitzonderingskaartje. Ondanks mijn poging hem tegemoet te komen had hij uiteindelijk toch zelf het conflictmoment opgezocht en aangezien dit toch een zeker machtsspelletje in het klein is gaf ik hem maar waar hij naartoe had gestuurd: de bekentenis dat ik niet in het bezit van zo’n kaartje ben. En wachtte af …

Dat het hem niet om die macht ging en er toch zeker een gezond geweten in hem school bleek echter het volgende moment. Hij maakte namelijk de cruciale fout om met een verontschuldigende opmerking te komen: “Ja, het is nu eenmaal beleid, meneer”. Mijn onmiddellijke reactie: “Je weet dat je met zulke uitspraken moet oppassen, he?”.

Hij begreep op welke associatie ik doelde, hij knikte tenminste even, en met een ‘ik vind het zo wel goed, meneer’ liep hij vervolgens van mij weg. Om mij vervolgens in de minuten dáárna uitgebreid terzijde te staan omdat ik alsnog in de knoop raakte met die order- en bestelnummers en het nummertje voor de wachtrij dat je uiteindelijk bij de afhaalbalie toch niet nodig had. Een jonge vrouw toonde veel belangstelling voor mijn zaak en duwde me welhaast naar de balie om daar mijn vraag neer te leggen en de jonge vent die de pakjes deed schoof alles aan de kant om het magazijn in te duiken en mijn pakje op te halen, ondanks dat mijn order nog helemaal niet op het digitale display stond. Oudere mensen stonden er erg chagrijnig bij te kijken hoewel ik nog uitriep dat het niet mijn bedoeling was om voor te kruipen. Het hielp niet om de boze ogen te verzachten, maar de drie jonge mensen legden een enthousiasme aan de dag waaruit duidelijk hun lol sprak om zo’n ongemaskerde lekker voor te laten gaan. Hoezo polarisatie. Temidden van de grijze vreugdeloosheid in zo’n grote ruimte gebeurde er wat.

Zonder het er expliciet over te hebben geef je die jonge mensen blijkbaar toch een boodschap mee, misschien van hoop. Dat niet alle volwassenen hun gevoel voor redelijkheid, proportie, zelfvertrouwen en verantwoordelijkheid kwijt zijn. Want hoe meer je kritiekloos richtlijnen en protocollen volgt hoe meer je jezelf de kans ontzegt om echt volwassen te worden.

Over de auteur

Hielke de Boer heeft meer dan dertig jaar in de financiële sector gewerkt bij zowel internationaal opererende bedrijven als kleine sociaal-culturele instellingen. Zijn columns betrekken de maatschappelijke ontwikkelingen in een context van geopolitiek, culturele verschijnselen en historische achtergronden.

Foto: Tiedo Groeneveld