Column: Fietsvirus

Column: Fietsvirus

COLUMN – Een beetje wielrenner wordt blij van het voorjaar. Ik ook. Ik kan niet wachten op de langere avonden. Avonden waarop je nog even een rondje kunt fietsen. Liefst in korte broek.

Mijn eerste racefiets kocht ik in 2008, op de dag dat Lance Armstrong zijn comeback aankondigde. Puur toeval. Kort daarvoor was ik besmet geraakt met het fietsvirus. Dat ging ongeveer zo: ik had bedacht om van Eindhoven naar de Ardennen te fietsen. Een tochtje van honderdveertig kilometer. Echter, ik reed finaal verkeerd, waardoor ik enigszins uitgedroogd en met tweehonderdtwintig kilometer op de teller, het eindpunt bereikte. Ik arriveerde in het donker – en dat zegt wat, want dit was op maandag 23 juni 2008. Onderweg had mijn moeder zeker drie keer gebeld met de vraag of ze me op moest komen halen.

Nee, dat hoefde niet. Ik vond het namelijk helemaal niet erg om zo ver te fietsen. Die dag raakte ik besmet. Definitief.

Twaalf jaar later fiets ik nog altijd op mijn eerste racefiets. Op dit stuk aluminium heb ik de meest mooie tochten gereden en de hoogste cols bedwongen. Een greep uit het bergassortiment: Alpe d’Huez, Tourmalet, Mont Ventoux, Croix-de-Fer, Bonnette – plus alle heuveltjes en naamloze hoogteverschillen in Zuid-Limburg en de Belgische Ardennen. Verder heb ik ontelbaar veel zelf ontworpen routes gefietst. Als ik die allemaal ga noemen dan zijn we vijftig columns verder.

Laat ik er ééntje uitlichten: Heeze – Brussel (Atomium) – Heeze. Een tocht van tweehonderdtachtig kilometer, die tot stand kwam door… Geen idee. Ik woonde des tijd (2013) in Heeze. Op een dag keek ik op de kaart en stelde mezelf de vraag: naar welke grote stad zou ik redelijkerwijs in een dag op en neer kunnen fietsen? Met Luik had ik dit al eens gedaan. Brussel en Düsseldorf waren de beste opties. Omdat Duitsland niet in kaart is gebracht door Google Street View werd het Brussel. Het Atomium leek me het perfecte keerpunt. Bovendien een mooi fotomoment.

Zo stond ik, op een warme voorjaarsdag in mei, rond het middaguur, onder de glinsterende bollen van het Atomium. In de wetenschap dat ik nog honderdveertig kilometer te gaan had.

Ik zou het zo weer doen.

In het najaar van 2014 ben ik naar Groningen verhuisd. Hier in het noorden heb ik inmiddels de nodige routes uitgezet. Ik heb een sterke voorkeur voor het oosten van de provincie, regio Oldambt. De regio die bekend staat om zijn uitgestrekte graanvelden. Op een hete zomerdag mag ik graag in die omgeving fietsen. Het is dan net of je in Frankrijk bent. Er wordt vaak wat denigrerend gedaan over Oost-Groningen, maar het is echt een prachtig gebied.

Soms, als ik wat verder ga, steek ik door naar Duitsland. Naar Bunde, of Papenburg. Even checken of er nog een cruiseschip ligt bij de Meyer Werft. Stukje langs de Eems en dan weer terug. Ik heb al een aantal jaar een route op de plank liggen naar het Zwischenahner Meer. Het is er tot nu toe steeds niet van gekomen, maar dit jaar moet het maar eens gebeuren. De totale afstand is tweehonderddertig kilometer. Ik denk dat ik rond acht ’s uur ’s morgens vertrek, dan ben ik rond het avondeten weer thuis. Het Zwischenahner Meer lijkt me een mooie locatie om even op een terrasje te zitten, aan het water. Zonder alcohol – ik moet immers ook nog terug.

Kom maar op met dat voorjaar! Ik kan niet wachten. Besmet raken met het fietsvirus: dat gun ik iedereen.

Over de auteur

Deze column is geschreven door Derek Hogeweg. Derek is programmamaker bij OOG Radio en fanatiek wielrenner. Zijn columns gaan over uiteenlopende onderwerpen. In alle gevallen betreft het de mening van een lange man.

Foto: Derek Hogeweg