Column: Mannen! Broeders!

Column: Mannen! Broeders!

COLUMN – “Mannen, broeders!”, riep ik soms als de boel weer eens uit de hand liep en het hoog tijd werd om de vergadering bijeen te roepen. “Dit kan zo niet langer!”, voegde ik er dan met luide stem aan toe. Gedwee en zich van geen kwaad bewust, maar toch met een blik alsof ze hun laatste oortje versnoept hadden, kwamen ze voor mij zitten. Met z’n drieën hadden we dan even een serieus kringgesprek waarin ik, onvermijdelijk, het meest het woord nam. Ik probeerde het heel democratisch aan te pakken, maar kreeg toch altijd het gevoel dat ik tegen mezelf aan het praten was.

Voornaamste punt van zorg was meestal de staat waarin de huishouding zich bevond, hoewel het thema ‘vrouwen’ natuurlijk ook regelmatig de revue passeerde want tja, je leeft met drie mannen in één huis en dan gebeurt dat vanzelf. Meestal waren we het over dat eerste niet eens, maar over dat  laatste kon de discussie vrij snel worden kortgesloten, ook al omdat Japie, de dominante macho, daar een zekere rechttoe-rechtaan visie op had die weinig te maken had met de psychologische complicaties die het contact met de andere sekse zo kunnen kenmerken. Volgens hem moest je ze gewoon bij hun nekvel vastgrijpen, je ding doen en dan verder lopen. Dat hele ritueel van ‘socializen’ vond ie maar niks, een modetrend die vast weleens zou overwaaien.

Goochem en ik keken daar altijd met een mengeling van bewondering en verwarring naar, want onze benadering van het vrouwelijk schoon stond daar echt haaks op en zou je een stuk subtieler kunnen noemen. Ook meer gericht op de lange termijn, je wilt toch wel wat opbouwen. Het is altijd een onbeantwoorde vraag gebleven of Japie als echte einzelgänger nu verder in z’n spirituele ontwikkeling was, want hij had genoeg aan zichzelf, of dat ie eigenlijk een primitieve rabauw was die alleen maar uit was op z’n eigen pretjes.

In tegenstelling tot hem was Goochem echt de charmeur van ons drieën: meer dan eens kreeg hij het voor elkaar dat een vrouwtje haar lievelingsbot voor hem neerlegde en dan met een stap achteruit een beetje zenuwachtig afwachtte of hij haar adoratie zou beantwoorden. Ik heb me altijd afgevraagd hoe hij dat nou voor elkaar kreeg, maar ja, als goedmoedige reus heb je blijkbaar sowieso een streepje voor, dus ik gooi het maar op natuurlijk charisma.

Zo hadden we dan allemaal onze sterke kanten en we konden prima samen in één huis leven. De uiteenlopende levensvisies botsten niet met elkaar, ieder kon z’n eigen gang gaan en ik denk dat het de vrijheidsdrang was waarin we elkaar herkenden. De vechtersbaas Japie kon natuurlijk vrij in en uit lopen: ook al woonden we op de 2e verdieping, hij vond toch een manier om acrobatisch via balkonrandjes op de daken van schuurtjes te komen, waar hij andere katers met één geweldige mep vanaf kon slaan. Goochem was meer van het type waarmee je moest gaan wandelen, hij was meer van de gezelligheid.

En wandelen kon in die tijd nog zonder riem. Maar zonder enige aankleding was ook weer zo kaal, dus ik bood hem de keus aan tussen een leren halsband en een wurgketting. Hij koos altijd het laatste en ik moet toegeven: dat stond hem ook veel beter, heavy metal was duidelijk ‘zijn ding’. Een riem had ik wel altijd bij me omdat dat op sommige momenten, vanwege zijn soms al te spontane en vrije geest, wel van pas kon komen. In die tijd waren er bijvoorbeeld nog busstations op het Zuiderdiep en als we daar dan langsliepen moest je alert zijn dat hij niet nonchalant zo’n bus in liep en doodgemoedereerd afwachtte tot die bus hem naar Zoutkamp zou brengen. Omstanders vonden dat natuurlijk hartstikke leuk, dat wel, maar het zal je toch maar gebeuren dat de chauffeur het niet doorheeft en dan de stad uitrijdt.

Vroeger was het alleen maar anders?

De tijden veranderen, zong ome Bob eens. Waar mens en dier ooit eens parallel dezelfde ruimte deelden, leven en laten leven, kan Goochem nu dus een bekeuring krijgen omdat ie niet aangelijnd is. Overal staan bordjes om aan te geven waar ie wel of niet mag ravotten en er is een cohort bijgekomen dat zich ‘hondeigenaar’ noemt, het type dat voornamelijk een huisdier houdt omdat ze anderszins een sociale leegte niet kunnen vullen. De trend van de QR-code voor de mens gaat gelijk op met een roep om alle katten te chippen, dat zou dan ook weer ‘handig’ zijn voor de dierenartsen en er is zelfs een heuse lobby ontstaan om katten helemaal uit het straatbeeld te verwijderen omdat ze vogeltjes vangen. Mensen zijn kleinzielige zeikerds geworden die desondanks menen dat ze zelfs het leven kunnen controleren, manipuleren, herscheppen en vernietigen naar eigen goeddunken. Het brein krimpt en verwordt tot een technocratisch, bureaucratisch masjientje en de leeggevallen plek in de schedel wordt opgevuld met een arrogante grootheidswaan. Goochem was een grote bastaard bouvier waar zelden iemand bang voor was. Twintig jaar later kom ik bijna dagelijks een situatie tegen waarin iemand bang is voor mijn kleine kooikerhondje van dertien kilo en dat moet dan gereguleerd worden. In plaats van iets aan de eigen degeneratie te doen pas je de omgeving aan, zoiets.

En dan mis je die meer open sfeer van toen en denk ik weleens aan Japie. Japie sprak je niet tegen en kon je niet cultiveren. Hij had zulke grote ballen dat ie altijd een beetje wijdbeens moest lopen, daar heb je als man alleen maar respect voor. Het is niet onaannemelijk dat hij in z’n eentje de genenpool hier in Groningen drastisch heeft beïnvloed. Dus dan hoop je maar dat er op een dag verzet komt vanuit een hoek die niemand verwacht. Want mensen vergeten weleens dat ze deel van de natuur zijn en niet omgekeerd.

Over de auteur

Hielke de Boer heeft meer dan dertig jaar in de financiële sector gewerkt bij zowel internationaal opererende bedrijven als kleine sociaal-culturele instellingen. Zijn columns betrekken de maatschappelijke ontwikkelingen in een context van geopolitiek, culturele verschijnselen en historische achtergronden.

Foto: Tiedo Groeneveld