Column: Moddermannetjes

Column: Moddermannetjes

Uitgerekend vandaag, de dag na de meest legendarische wielerkoers uit de recente geschiedenis, ontbreekt de column van Wilfried de Jong in NRC.

Dus doe ik zelf maar even een Wilfriedje. Iemand moet het doen. Het was even wennen, Parijs-Roubaix terwijl de bladeren van de bomen vallen. Corona schudde de wielerkalender door elkaar, april werd oktober. Meestal begin ik rond Parijs-Roubaix weer eens voorzichtig te denken aan fietsen in korte broek, aan shirtjes met korte mouwen. Nu had ik vooral zin in warme chocomelk en pompoensoep. Het beloofde een spannende wedstrijd te worden, de kasseien lagen er slecht bij. Bruin en glad. Wie zondag onderuit wilde gaan moest in Noord-Frankrijk zijn. De röntgenafdelingen van de ziekenhuizen in Lille waren op het ergste voorbereid, het Guinness Book of Records hoopte stiekem op een nieuwe vermelding: meeste botbreuken tijdens een wielerkoers.

Als een geknakte slang gleed het peloton langs spookdorpjes en verlaten industrie. Grijs, grijzer, grijst. Het weer had zich aangepast aan de omgeving. De renners waren verkleed als fietsende moddermannetjes, ze zagen eruit alsof ze uit de eerste de beste mijnschacht waren gekropen. Thuis wachtte het gezin met stamppot boerenkool en een warme kruik.

De sportcommentatoren duidde de stroken. “Deze heeft vier sterren, ik ga er eens goed voor zitten.” Er vlogen wat fietsen door de lucht. “Oef! Daar ligt… het is niet te zien.” Mathieu van der Poel was onherkenbaar, ik ging er maar vanuit dat Mathieu de renner was die het hardst fietste. Dat leek een logische gedachtegang.

Het werd een sprint. Drie donkerbruine renners met tandwielen vol slijk draaiden de wielerbaan op, het grote bluffen kon beginnen. Wie gaat als eerste? De Italiaan Sonny Colbrelli, reeds de dertig gepasseerd, debuteerde in Parijs-Roubaix. Hij bleek het snelste moddermannetje te zijn. Weer ging er een fiets de lucht in, dit keer van blijdschap. Colbrelli zwalkte richting het gras en liet zich vallen. De vreugdekreten waren tot in Parijs te horen, even verderop lag Mathieu, roerloos, als aangeschoten wild. Hij leefde toch nog wel?

Later die middag trokken de moddermannetjes richting de douches in het stadion. Nooit eerder was een warme douche zo lekker geweest.